
Een woordje over vondelingen.
Als kind werd ons steeds voorgehouden dat Bernardus Manders, vondeling, zijn naam te danken had aan het feit dat hij, in navolging van zijn bijbelse voorganger Mozes, gevonden was drijvend in een mandje op het water (de Schelde in het geval van Bernardus).
De waarheid is echter minder romantisch en in alle gevallen harder...
Op 17 januari 1844 wordt Bernardus Manders te Antwerpen in de schuif van het vondelingentehuis gelegd.
Deze bevond zich in het Sint Andrieskwartier, in de toenmalige Lepelstraat, die nu bekend staat als de Sint Rochusstraat.
De Antwerpse schuif bestond uit een soort gemetselde kast in de voorgevel van het vondelingentehuis, met aan de straatkant een schuifraam.
Van zodra dit aan de buitenkant geopend werd om een kind in de schuif achter te laten, rinkelde binnen een belletje, zodat men onmiddelijk op de hoogte was van de komst van een nieuwe bewoner.
Wanneer het schuifraam terug werd neergelaten, trad een vernuftig systeem van staven en gewichtjes in werking, dat het loket automatisch vergendelde. Op dat ogenblik was het kind veilig waar het zijn moest en kreeg het van de schuifbediende onmiddelijk de nodige zorgen.
Naast het loket bevond zich immers het papkotje waar voortdurend melk werd warm gehouden en waar ook een rek stond met luiers en kleertjes.
Terwijl het kind verzorgd werd, stelde een bediende van het vondelingentehuis een proces-verbaal op.
Het gebeurde echter regelmatig dat de moeder twijfels had over het te vondeling leggen van haar kind, en dat ze een kenmerk bij het kind achter liet.
Dikwijls was dit een in twee gescheurde speelkaart of devotieprentje, waarvan zij één deel bewaarde, zodat later de kans bestond dat zij haar kind terug zou vinden.
Ook bij Bernardus werd een stuk meubelpapier gevonden, met daarop de datum 17 januari 1844.
Het te vondeling leggen van kinderen was sinds 1811 niet langer een strafbaar feit, als dit maar gebeurde in de bewuste schuif, en het kind niet zomaar op straat werd achtergelaten.
Dit systeem werd ingevoerd om het aanbod van goedkope werkkrachten en soldaten voor het leger te verhogen.
In het jaar 1844, het jaar waarin ook Bernardus te vondeling gelegd werd, werden totaal 42 kinderen te vondeling gelegd. Hiervan waren 25 jongens en 17 meisjes, 39 werden in de schuif gelegd en 3 onder hen werden elders achtergelaten.
Naamgeving bij vondelingen.
Voor 1814 kregen kinderen die in de dorpen en de steden werden achtergelaten, een willekeurige naam, die echter veelal verband hield met de vindplaats.
De naam Van Den Dorpel is daar een voorbeeld van en ook de naam Gevels, die in de database kan teruggevonden worden zou oorspronkelijk aan een Mechelse vondeling zijn gegeven die aan de gevel van een huis gevonden werd.
Vanaf 1814 bestond een alfabetisch systeem om de vondelingen aan een naam te helpen. Het eerst gevonden kind kreeg een familienaam die begon met de letter A, het volgende kind kreeg er een met de letter B, en zo verder...
Vanaf 1842 werd dit systeem echter niet meer gevolgd. Het kind kon nu ook van een andere familienaam voorzien worden, die niet noodzakelijk het alfabetische systeem strikt volgde.
Deze namen waren hoofdzakelijk nederlandstalig.
Er werden achtervoegsels gebruikt die de namen een authentiekere klank gaven, zoals -ens, -els, -mans, -land, -veld.
Ook de naamgeving voor de voornaam werd niet zo strikt toegepast: voorheen was het de gewoonte om het kind de voornaam te geven van de heilige wiens naamdag men op die dag vierde.
Vele van de voornamen zijn echter onverklaarbaar en hingen hoogst waarschijnlijk van de willekeur van de bediende af.
Vanaf 1856 komt het alfabetische systeem terug in voege, dit maal met een herhaling van de letter: het eerste en het tweede kind krijgen een naam beginnend met de letter A, het derde en het vierde een naam beginnend met de letter B, ...
In het jaar dat Bernardus gevonden werd, zijn volgende familienamen genoteerd: ..., Hemels, Ildiers, Krimpers, Lentens, Manders, Navelmans, Overveld, Palmiers, Ratels, Stapers, ...
De vindingsakte van Bernardus.
Op 17 january 1800 vier en veertig, 's nagts omtrent het
kwart voor twaelf uren is er een nieuw geboren gezond kind
van het mannelijk geslacht in de schuif gelegd, hebbende
op zich de volgende kleeding. een nieuw baelkatoene
hemd met neteldoeke kraegske, een ondermutske met kantje
idem van dezelfde stof, een linne navelband, een
nieuw bombazijne koofke, met kant bezet, een versleete
catoene japonneke witte grond met roode vlammen
een stuk saeye halsdoek bleekgroene grond met
rooden boord, een versleten baelkatoene manshemd
een siamoise pislap met blauw en roode strepen
als nog een klein stukske meubelpapier, op den agter=
kant met inkt geschreven als volgt 1844 17 januarie
Gemeld kind is alhier in den Brogerlijken Stand
ingetekend op achtien january jaer als boven onder
den naem van Bernardus Manders
A.C.Van Schingen
De vindingsakte van Bernardus Manders
Akte 156, volume nr. 9 van het register van vondelingen, archief van de C.O.O. Antwerpen.
De geboorteakte van Bernardus.
De volgende dag werd Bernardus aangegeven bij de Burgerlijke stand:
De achttienden der maend january van het jaer duizend achthonderd vier en veertig ten twaelf ure des morgens
Vindingsakte van Bernardus Manders, nieuw geboren gezond kind van het mannelijk geslacht op
zeventien january dezen jaeren ten elf en drij kwart ure des nachts alhier in de schuif van het vindelingenhuis
gevonden met de volgende voorwerpen te weten een nieuw baelkatoenen hemd met neteldoeken kraegjes, een ondermuts
ken met kantje van dezelfde stof, een linnen navelband, een nieuw bombazijnen koofke met kant bezet, een ver
sleten katoenen japonneken met witten grond en roode vlammen, een stuk van een saijen halsdoek met bleek groene
grond en roode boord, een versleten baelkatoenen manshemd, een siamoise pislap met blauw en roode strepen
daerbij een klein stuk meubelpaper op welkens achterkant met inkt geschreven staet 1844 17 januarie in het bijzijn van
Petrus Antoine Van Montenaeken, oud negen en dertig jaer en van Napoleon franciscus Versturme oud drie
en dertig jaer, beide klerken alhier gehuisvest. Aldus ten stadhuize in dubbel opgemaekt door mij ondergete
kenden Schepen der stad Antwerpen behoorlijk gedelegeerden ambtenaer van den Borgelijken Stand
zijnde het kind aen mij vertoond. Alles volgens de aengifte gedaen door Alexander Cornelius Van Schingen
huisbezorger, oud vier en zestig jaer alhier gehuisvest aen wie gemeld kind en voorwerpen zijn ter hand
gesteld en na voorlezing dezer hebben de comparanten benevens mij geteekend. De Backer
A.C. Van Schingen Van Montenaeken Nap:Verturme
De geboorteakte van Bernardus Manders
Akte 3 van de supplementen geboorteregisters 1844 Antwerpen, film 617450, Rijksarchief te Beveren.
Plaatsen en herplaatsen.
Een vondeling bleef dikwijls in het tehuis tot hij zes jaar oud was, ook al kon hij veel vroeger uitbesteed worden. Na zijn zes jaar werd hij bij landbouwers uitbesteed.
Deze kregen in ruil een jaarlijkse toelage, die echter jaarlijks afnam. Na het twaalfde jaar werd geen toelage meer toegekend, en werd van het kind verwacht dat het zelf zou werken om voor zijn of haar onderhoud in te staan.
De kinderen krijgen gedurende die periode wel kleding bedeeld:
- tot 18 maand:
2 wollen luiers, 2 linnen luiers, 2 kindermutsjes, 1 onderkleed in blauw katoen, 1 paar kousen, 1 katoenen muts, 1 zakdoek, 1 paar schoenen, 1 wollen mouwvestje en 3 hemden.
- een tweede maal na 18 maand:
idem als boven, echter zonder luiers en kindermuts.
- tot zes jaar idem als boven.
- op 6 jaar:
1 jurk, 1 vest, 1 broek, 2 linnen hemden, 1 pet, 1 wollen muts, 1 paar schoenen, 1 paar kousen, 1 zakdoek.
- tot de leeftijd van 10 jaar:
idem als boven 2 maal hernieuwd.
- na 10 jaar:
nog éénmaal een volle uitzet, het volgende jaar een halve uitzet bestaande uit: 1 broek, 1 pet, 1 paar kousen, 1 paar schoenen, 1 wollen muts.
Bernardus werd reeds vroeg uitbesteed. Slechts anderhalve maand oud, op 1 maart 1844, wordt hij geplaatst bij Cornelis Peeters te Rijmenam.
Vier jaar nadien, op 19 januari 1849, wordt hij herplaatst bij de weduwe Lambert Stroobants te Kampenhout.
Na een verbijf van net geen jaar wordt hij op 18 januari opnieuw verplaatst, dit maal bij de weduwe Jan De Preter te Putte.
Hij loopt er school, want vanaf 11 juli 1850 ontvangt hij schoolgeld.
Op 7 oktober 1852 gaat Bernardus een hele ander kant op en komt hij terecht bij Henri De Laet te Hombeek. Hij ontvangt nog steeds schoolloon.
Op de leeftijd van elf jaar oud krijgt hij op 16 maar 1855 zijn volle kleeren en schoengerei alsook communiekleeren ter waarde van 2,95 frank.
Tot slot kijgt hij op 16 juli 1860 opnieuw en voor een laatste maal zijn volle kleedsel en schoengeld en een uitzet van 5 frank.
In 1863 woont hij bij Petrus Joannes Vermeulen te Hombeek. Hij is dan negentien jaar oud, en vermoedelijk is hij bij Petrus Joannes in dienst als knecht en staat hij in voor zijn eigen levensonderhoud.
Als laatste vermelding is genoteert dat hij op 19 april 1872 te Hombeek trouwt met Maria Virginia Christiaens.
Hierbij wordt vermeld dat hij kan lezen en schrijven en dat hij geen gebrek heeft.
Vragen...
Bij heel het verhaal van Bernardus kunnen blijven heel wat vragen onbeantwoord. Wie was de moeder en waarom heeft zij haar kind te vondeling gelegd?
In welke klasse dienen wij haar te zoeken, gelet op de kleding die bij Bernardus gevonden werd? Hoe komt het dat ze zo wanhopig was om haar kind weg te schenken?
Had ze de hoop dat ze op een moment waarin ze misschien beter in haar levenonderhoud kon voorzien, ze misschien ook een kind zou kunnen onderhouden, en was het daarom dat ze dat bewuste stukje meubelpapier bij Bernardus achterliet?
Al deze vragen zijn door de tijd achterhaald, en waarschijnlijk zal niet één er van ooit een antwoord krijgen...
Tekst Peter Emmerechts, met als uitgangspunt de opzoekingen van Hilda Emmerechts.
Een aantal passages vrij naar Bijdrage tot de studie van de vondelingennamen der Antwerpse schuifkinderen (1812 - 1860), eindverhandeling van Vera Van Gastel, licentiate Germaanse Filologie 1986.
Sint Katelijne Waver, 13 juli 2003